W.A.J. Oosting (1898-1942)

Rubriek: personen
Door: Marthijn Sonneveld

Dr. W.A.J. Oosting (uit: Landbouwkundig Tijdschrift, 54 jg, n.699, 1942). Willem Adriaan Johan Oosting werd op 9 juli 1898 geboren in Dordrecht en wordt wel de eerste veldbodemkundige van Nederland genoemd. Deze veelzijdige persoon wist op authentieke wijze verbindingen te leggen tussen de geologie, geomorfologie, archeologie, vegetatie en de optredende bodemvormende processen. Oosting heeft grote invloed gehad op de latere bodemgeografische school van Edelman. Buitenlanders waren onder de indruk van de kennis van Oosting en zo gaf de Duitse hoogleraar H. Stremme uit Dantzig tijdens een excursie te kennen dat ‘was Oosting geleistet hat, gehört zum besten und gründlichsten was ich bisher in der Bodenkunde kennen gelernt habe’.

Een groot deel van de loopbaan van Oosting staat in het teken van het propageren van de bodemkartering. Oosting zelf sprak in 1929 echter nog over de noodzaak van een landbouwgeologische kartering. Ten aanzien van andere landen vertoonde Nederland in die tijd een achterstand. Hoewel er wel behoorlijk wat aandacht uitging naar geologische karteringen waren er weinig bodemkarteringen, terwijl geologische kaarten duidelijk onvoldoende waren voor de landbouw. Het doel van de bodemkartering was in zijn ogen duidelijk: het geschiedt ten bate van de landbouw en deze is slechts dan daarbij gebaat als de kartering ook landbouwkundig geschiedt. Geologisch inzicht is belangrijk, maar niet het belangrijkste: ‘voorop staat begrip van het landschap en inzicht in het grondgebruik’.

Reliëfkaarten van Wageningen (uit Oostings proefschrift, 1936).

Het bodemprofiel was in de ogen van Oosting, die werkte op de toenmalige Landbouwhogeschool, een praktisch constante factor die grote invloed had op de landbouwkundige productie. Zijn interesse ging verder dan alleen maar bodemkartering en hij constateerde dat allerlei kaartmateriaal volledig ontbrak, zoals kaarten waarop de landbouwbedrijven stonden aangegeven, de veestapel, de gewassen, en waar het grasland gescheurd was. De geografische methode moest, zo stelde Oosting, niet veronachtzaamd worden. Dat in de jaren ’30 in Wageningen er maar één niet-verplicht vak bestond met betrekking tot kartering was in zijn optiek veel te mager.

Oosting had in de loop van de tijd zeer veel kennis opgebouwd over de omgeving van Wageningen en Bennekom. Deze kennis had hij mede te danken aan de goede contacten met boeren uit dit gebied. Veel van deze kennis, juist ook met betrekking tot de geschiedenis van de bodem, wist hij door te geven aan studenten aan wie hij doceerde. Soms kwam hij daarbij wel wat ‘zweverig’ over.

Op 25 maart 1936 promoveerde Oosting op het proefschrift ‘Bodemkunde en bodemkarteering in hoofdzaak van Wageningen en Omgeving’. Zijn verbondenheid met natuur en landschap komt o.a. tot uitdrukking in de adressering van zijn proefschrift: ‘Aan moeder Aarde’. Oosting excuseerde zich in zijn inleiding voor onjuistheden want: ‘wie werkt zonder voorgangers maakt vele fouten’. Oosting was zich bewust van het feit dat hij pionierde in de bodemkartering.

Een weergave van de grondsoorten ten westen van Wageningen (uit Oostings proefschrift, 1936). Zijn proefschrift omvat hoofdstukken over de geologie, de hydrologie, de geomorfologie, de topografie en de archeologie en bevat daarmee inzicht in de samenhangende aardkundige kennis van de omgeving van Wageningen. In het proefschrift van Oosting zijn echter maar delen van kaarten van Wageningen en omgeving opgenomen. Zo bevat het een grondsoortenschets van de omgeving van Heteren, een grondsoortenkaart van het gebied ten westen van Wageningen (zie boven) en een afgeleide schets van de bodemkaart van het gebied tussen Wageningen en Bennekom. Oosting achtte een bodemkaart ‘van algemeen maatschappelijk belang’(p. 122) en beschouwde zijn grondsoortenkaart als de basis voor de bodemkaart. Een reden waarom een bodemkaart in zijn proefschrift ontbreekt is mogelijk zijn constatering dat het publiceren hiervan erg kostbaar was. Hiermee in overeenstemming is de mededeling van Oosting dat ook het opnemen van een geologische kaart in zijn proefschrift kostbaar was. Dat was bovendien ook niet nodig aangezien een landelijk dekkende geologische kaart toch op korte termijn zou verschijnen.

Buringh publiceerde met zijn proefschrift (1951) in een bijlage uiteindelijk wel een bodemkaart van Wageningen. Hij kon in zijn proefschrift over de bodems rondom Wageningen gebruik maken van de schetsen van Oosting hoewel die voor sommige stukken minder gedetailleerd en nauwkeurig bleken dan gewenst. Een enkel gebied is later dan ook opnieuw gekarteerd.

Bestudering van de geschiedenis van percelen (tegenwoordig land use history) was bij Oosting een belangrijk onderdeel van zijn werk. Omdat er in Wageningen in de jaren ’30 steeds meer proefvelden bijkwamen heeft hij een groot deel van zijn kennis op papier gezet om de wetenschappers van bodemkundige informatie te voorzien. Hij heeft veel geschreven over de toponymie van Wageningen en omgeving en gebruikte oude kaarten om landschappelijke patronen te verklaren.

Oosting heeft ook bijdragen geschreven over Landbouwonderwijs en culturele ontwikkeling waarin hij stelling nam tegen de gedachte dat het aan de geestelijk-culturele toestand van de boerenstand in zijn tijd nog zowat aan alles ontbrak. ‘Krachtig, temidden van de geestelijk-culturele verwording van deze tijd’, zo schreef hij in 1939, ‘ staat nog de boerenstand’. Als geen ander was hij daarbij ook pleitbezorger van de toenmalige Landbouwhogeschool om het landbouwkundig onderwijs vorm te geven.

In 1940 schreef Oosting in het Landbouwkundig Tijdschrift een betoog voor bescherming van archeologische monumenten. In zijn tijd hadden de archeologen ‘nog te weinig school gemaakt’. Om alle vondsten die tijdens de ontginningen in de jaren ’30 plaatsvonden goed te beschrijven moest het aantal archeologen dringend worden uitgebreid met de nodige financiële middelen. Ook hier wist Oosting weer de bodemkartering voor het voetlicht te halen: ‘Jarenlang heb ik de bodemkartering gepropageerd omdat deze en de verkenning en de inventarisatie van vele verschijnselen automatisch inhoudt’. Oosting was van mening dat de prehistorie praktische betekenis zal krijgen zodra in de toekomst de veldbodemkunde meer beoefend zou worden. Oosting was er bijvoorbeeld al van op de hoogte dat onder oude essen vaak nederzettingen liggen en begraafplaatsen. ‘Wie het platteland lief heeft hebbe eerbied voor de resten van het voorgeslacht’. Echter, ‘thans schijnt de tijd nog verre dat men zich in de landbouw los zal kunnen maken uit het gevangen zijn in de gedachte aan proefveldjes en analysecijfers’. Buringh deelde overigens deze zienswijze.

Een artikel van zijn hand uit 1942 gaat over de Duitsche bodemschattingswet uit 1934. Men wilde in Duitsland de vruchtbaarheid van de gronden gaan uitdrukken op een schaal van 1 tot 100; met name vanuit het oogpunt van grondbelasting. Het systeem van Ackerzahl en Bodenzahl en verschillende trappen was uitvoerig door Oosting bestudeerd. Bij mogelijk vervolg in Nederland diende een goede schatting van de Nederlandse gronden op basis van dit systeem, en de daarbij behorende bodemkaart, wel met de juiste ervaring en kennis te worden opgesteld - iets wat in Duitsland scheen te ontbreken.

Het was voor de bodemkartering een zware slag dat Oosting op 5 september 1942 overleed na een ziekbed van enige tijd. Oosting had maar een klein deel van zijn kennis gepubliceerd en veel van de toekomst van de bodemkunde rustte nu op de schouders van Edelman die, zoals bekend, hier uiteindelijk wel succesvol mee verder is gegaan. Oosting leeft voort in de naar hem vernoemde Oostinglaan die te vinden is in Wageningen-Hoog, dicht bij het huis waar hij gewoond heeft. ‘De straatnaam is er’, zo schreef Edelman in 1952, ‘..om het nageslacht de herinnering levendig te houden aan de geleerde landbouw- en bodemkundige wiens werk het voorbeeld is geworden voor de moderne veldbodemkundigen.’

De auteur dankt ir. J.C. Pape (voormalig college-assistant bij W.A.J. Oosting) voor de mondelinge toelichting op het werk en de persoon van Oosting.
Bronnen:
Buringh, P. 1951. Over de bodemgesteldheid rondom Wageningen. Proefschrift. Landbouwhogeschool Wageningen.
Edelman, C.H. 1952. De Oostinglaan. Boor en Spade V. p. 259.
Felix, R. 1995. Bodemkartering voor 1943 – het geologisch perspectief. In: P. Buurman en J. Sevink. Van bodem- kaart tot informatiesysteem. P 1-p17