Start Lustrum NBV 2010

Op maandag 8 maart 2010 is in Naturalis in Leiden de “Meest Kenmerkende Bodem van Nederland” onthuld door de directeur van Naturalis Prof. dr. E.F. Smets en de voorzitter van de NBV Dr. Boris Jansen. Deze bodem is gekozen uit twaalf nominaties door de leden van de Nederlandse Bodemkundige Vereniging ter gelegenheid van haar 75 jarig bestaan. De bodem is een Enkeerdgrond met een donkere bovengrond die is gevormd door eeuwenlange landbouw. Deze bodem staat daarmee symbool voor de invloed van de mens op zijn omgeving en voor de bodem als drager van Het menselijk bestaan.

Enkeerdgronden Vorming en gevolgen ervan in het Pleistocene zandlandschap

Toine Jongmans en Gert Peek, 2008

Zwarte Enkeerdgrond op een podzolgrond. Fig. 1 Zwarte Enkeerdgrond op een podzolgrond.

De bodem waar u naar kijkt is een Enkeerdgrond en het is de meest kenmerkende bodem van Nederland (Fig. 1). Hij is door de mens gemaakt in alle Pleistocene zandlandschappen en deze omvatten meer dan 50 % van Nederland. Het totaal oppervlak Enkeerdgronden beslaat 195.200 ha (Haans en Maarleveld, 1965).

De gedemonstreerde bodem bestaat uit twee delen: een ongeveer 92 cm dik, homogeen, donkergekleurd humusrijk zanddek (Ah horizont) dat op een ouder ontwikkelde zandbodem ligt, waarin grijze en koffiebruine kleuren te zien zijn. In dit dek zijn rechts, op 20 cm diepte, rode aardewerk scherfjes te zien en in het midden, op 47cm diepte, bruine kleiige brokjes, terwijl er ook grindkorrels voorkomen. Zulke verschijnselen, de dikte van het humusrijke dek en het voorkomen van een onderliggende, natuurlijk gevormde bodem tonen aan dat deze laag door de mens is opgebracht en wel hier op een Veldpodzolgrond. Vóór het opbrengen van het dek lag deze aan het maaiveld en vanuit de top ervan is amorfe humus en ijzer uitgespoeld waardoor er een 7 cm dikke ijzerloze en organische stof arme zone is gevormd die hierdoor weer de oorspronkelijk grijze kleur van de zandkorrels heeft gekregen (E horizont). Onder de E horizont is de amorfe humus neergeslagen in de pakkingsholten tussen de zandkorrels, waardoor er een donkerbruin gekleurde laag is ontstaan van ongeveer 10 cm (B horizont) die geleidelijk overgaat in de oorspronkelijke gelaagde, fijnzandige afzetting (C horizont). De E horizont is niet in de gehele bodem aanwezig, rechts is hij vrijwel niet zichtbaar. Het laat zien dat de mens de bodem heeft geploegd nog voor dat het antropogene dek op was gebracht. Ook de zwarte brokjes, aanwezig op ongeveer 95 cm, demonstreren dit. Ze maakten oorspronkelijk deel uit van de strooisellaag (O Horizont) die op de E horizont heeft gelegen en die ook door het ploegen sterk is verstoord. In de E-, B- en C horizont zijn sporen van mestkevergangen zichtbaar. Het zijn ronde of ovale, met zand opgevulde gangen met een diameter van ongeveer 2 cm. Mestkeveractiviteit is heel gewoon in zandgronden, maar vanaf het maaiveld gaan ze niet dieper dan 60 cm. De gangen in de genoemde horizonten zitten dit veel te diep om de toe te schrijven aan de mestkever activiteit vanaf het huidige maaiveld. Ze zijn dus gevormd toen de Veldpodzolgrond aan de oppervlakte lag.

Hoe is dat dikke, zwarte humusrijke dek nu precies ontstaan? Landbouw is de oorzaak. Dit begint in de zandlandschappen in het Neolithicum (6000-3500 jr. geleden). Voor het uitoefenen ervan is het essentieel om voldoende plantenvoedende bestanddelen ter beschikking te hebben. Als gevolg van de voortdurende landbouwontwikkeling bestond het zandlandschap rond de 10de eeuw uit een afwisseling van akkercomplexen (essen), bossen, struwelen, half open parkgebieden en heischrale graslanden (Spek, 2004).

Enkeerdgronden op een dekzandrug in de Achterhoek. Fig. 2. Enkeerdgronden op een dekzandrug in de Achterhoek. De hoogte van de steilrand geeft de ophoging met plaggenbemesting aan.

Essen zijn landschappelijk herkenbare, ruimtelijk begrensde eenheden die voor akkerbouw gebruikt worden door meerdere boeren. Al naar gelang de streek worden ze ook eng, enk, akker, kouter of veld genoemd. Ze zijn hoekig van vorm, scherp begrensd, open en meestal begrensd door een steil randje van 50-100cm (Fig. 2).

Naast de essen waren de reeds genoemde delen van het landschap, de woeste gronden, van groot belang. Varkens, koeien en schapen werden er geweid en dit vee zorgde voor de organische mest die weer dienst deed als plantenvoeding op de es. Het toenmalige landbouwsysteem gebruikte dus het gehele zandlandschap: de es voor akkerbouw en de woeste gronden voor mestproductie. De verhouding was ruwweg 1:10. In het begin maakten de boeren alleen gebruik van organische bemesting om de essen vruchtbaar te houden en het bestond uit een mengsel van dierlijke mest en organisch materiaal, geplagd van de woeste gronden. Deze organische plag werd gebruikt in de verlaagde loopstal, waar het vee ’s nachts in stond. Het mengsel van mest en plag werd op de es gebracht. Omdat de organische bovengrond op de woeste grond door afplaggen langzaam verdween, gingen de boeren naast de organische plag meer zand meeplaggen. Dit zand kwam via de stal ook op de es terecht en hierdoor werden vanaf de 13e eeuw (in Drenthe zelfs pas in de 17e eeuw) de oorspronkelijke bodems van de essen in de navolgende eeuwen langzaam opgehoogd met als resultaat het dikke donkergekleurde humusrijke dek. (Plaggendek, Fig.1). Ophogen is nooit een doel geweest maar het gevolg van de samenstelling van de toegepaste mest. Door het verdwijnen van de strooisellagen nam de uitloging (podzolisatie) van de afgeplagde bodems sterk toe, waardoor het areaal chemisch arme podzolgronden sterk uitbreidde waarop heide dominant ging worden. Het oppervlak heidevelden was in de 18de eeuw zeer groot geworden, terwijl de hoeveelheid voedingselementen door plaggen sterk afgenomen was. Het beste deel van de bodem: de organische bovengrond was geheel verbruikt. De frequentie van afplaggen nam hierdoor toe, men plagde te snel nog niet volledig herstelde heide en door het meeplaggen van zand nam de zaadbank in de bodem af. Hierdoor verminderde het regeneratievermogen van de heidevelden waardoor er langdurig onbegroeide delen in ontstonden. De wind kreeg hierdoor vat op het zand en er ontstonden op droge woeste gronden omvangrijke stuifzandgebieden (78 800 ha, Haans en Maarleveld 1965) De Veluwe was het grootste stuifzandgebied van Noord-West Europa. Stuifzand heeft plaatselijk nederzettingen bedolven, bijvoorbeeld Kootwijk. Op korte afstanden ontstonden grote hoogteverschillen (1-15 m.) (Fig. 3).

Enkeerdgronden op een dekzandrug in de Achterhoek. Fig. 3. Begroeid stuifzandlandschap op de Veluwe (voormalige Atlantische woestijn).

Stuifzandgebieden zijn Atlantische woestijnen, volkomen antropogeen, die onder natuurlijke omstandigheden niet tot ontwikkeling zouden kunnen komen in ons humide klimaat. Ecologisch zijn het zeer interessante gebieden en momenteel in trek bij natuurontwikkeling. Kenmerkend is dat de stuifzandgebieden meestal tegen de essen aanliggen. Omdat vervoer van plaggen zwaar en arbeidsintensief was, plagde men het meest intensief nabij de nederzetting. De grens tussen beide bodems bestaat vaak uit een meters hoge aarden wal bestaande uit stuifzand wat in de houtwal stoof die de es omgrensde, waardoor deze mee omhoog moest groeien. De omvang van de wallen laten zien hoe de verstuiving de toenmalige akkerbouw ernstig bedreigde.

De invloed van de mens op het natuurlijke zandlandschap is enorm en divers in de tijd geweest. De vorming van het cultuurlandschap is begonnen op het moment dat de mens landbouw ging bedrijven, dus veel eerder dan tot voor kort werd gedacht De oude landbouwsystemen hebben het gesloten natuurlijke bos stukje bij beetje open gelegd. Niet alleen ecologische factoren zoals hydrologie en bodem bepaalde de landschapsontwikkeling, socio-economische factoren waren minstens zo belangrijk. Zowel in landschappelijke als in bodemkundige zin bestaat een natuurlijk landschap niet meer in de zandgebieden. Echter, de biodiversiteit op korte afstand werd er wel veel groter door. Deze diversiteit werd en wordt door de daarop volgende rationalisatie in de landbouw en veranderingen in landgebruik in de 20ste eeuw weer sterk aangetast.

Literatuur:

Haans, J. C. F. M. en G. C. Maarleveld, 1965. De zandgronden. In: Stichting voor Bodemkartering 1965, De Bodem van Nederland, toelichting bij de 1:200.000 bodemkaart van Nederland. Noord Nederlandse Drukkerij, Meppel. pp 292.
Spek, Th., 2004. Het Drentse esdorpen landschap. Een historisch geografische studie.Stichting Matrijs, Utrecht. Pp 1100.

Toine Jongmans tijdens de presentatie in Naturalis  op 8 maart 2010 Toine Jongmans tijdens de presentatie in Naturalis op 8 maart 2010 Direct na de onthulling door de directeur van Naturalis Prof. dr. E.F. Smets en de voorzitter van de NBV Dr. Boris Jansen, onder het toeziend oog van de voorzitter van de Lustrum commissie van de NBV Prof. Dr. Ir. J. Bouma. Het voltallige bestuur van de NBV , de Lustrum commissie en de makers van het lakprofiel. Het bestuur van de Studievereniging “Pyrus” voor het bodemprofiel.