Fosfaatverzadiging, 1986

Rubriek: onderzoek
Door: Hans van Grinsven en Oscar Schoumans

Midden jaren ’70 werd duidelijk dat de groei van de veestapel en de toename van de mestproductie leidden tot zeer hoge fosfaatgiften die de fosfaatopname door landbouwgewassen ver overstegen. Het gevolg was fosfaatophoping in de bodem en uitspoeling vanuit landbouwgronden naar het grond- en oppervlaktewater. Teveel fosfaat leidt tot eutrofiëring van het zoete oppervlaktewater. Het eerste milieubeleid tegen eutrofiëring dateert van eind jaren ’70 en was voornamelijk gericht op het verminderen van lozingen van puntbronnen (o.a. RWZI’s, industrie). Bijgevolg nam de relatieve bijdrage van landbouwgronden aan de fosfaatbelasting steeds verder toe en hiermee ook de beleidsfocus op de landbouw. Het eerste fosfaatbeleid voor de landbouw dateert overigens ook uit de jaren ’70 en was gericht op voorkoming van lokale hoge mestdoseringen en meldingen van mestlozingen. Een middel om dit te bereiken was subsidiëring van mesttransporten voor intensieve veehouderijbedrijven.

De mate waarin landbouwgronden bijdragen aan de fosfaatbelasting van het oppervlaktewater hangt af van de fosfaatophoping in de bodem, de capaciteit van de bodem om fosfaat te binden en de waterhuishouding. Midden jaren ’80 is voor de mestoverschotgebieden op kalkarme zandgronden een model ontwikkeld waarmee de capaciteit voor fosfaatbinding van de bodem in kaart werd gebracht. Het model berekende ook bij welke mate van fosfaatverzadiging de toen geldende norm voor eutrofiëring werd overschreden (deze was 0,15 mg/l fosfor). Toen bleek dat grote delen van het landbouwareaal op zand verzadigd waren met fosfaat, werd het gebruik van dierlijke mest wettelijk beperkt. Hiertoe werden in 1987 de zogenaamde fosfaatgebruiksnormen als onderdeel van de mestwetgeving ingevoerd. Aanvankelijk waren deze normen nog ruim (300 kg/ha fosfaat op veebedrijven en 125 kg/ha voor akkerbouw). In de jaren daarna zijn deze geleidelijk aangescherpt tot waarden die meer overeenkomen met de gewasafvoer (rond de 100 kg/ha voor gras en 70 kg/ha voor akkerbouwgewassen).

Het uitrijden van mest op grasland in het verleden, bovengronds met een spatplaat, en tegenwoordig, emissiearm met een sleepvoet.

Een eenduidig criterium ontbrak voor de maximaal toelaatbare fosfaatophoping in de bodem. Daarom werd er een methodiek ontwikkeld om voor kalkarme zandgronden een criterium af te leiden, de zogenaamde ‘definitie van een fosfaatverzadigde grond’. Om de grenswaarde te kunnen bepalen diende vastgesteld te worden welke fosfaatconcentratie maximaal mag uitspoelen naar het grondwater en welke referentiediepte hierbij gehanteerd moest worden. De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) was nauw betrokken bij het advies over de waarden voor deze beide criteria. Er werd vastgesteld dat de fosfaatophoping in kalkarme zandgronden niet hoger mag zijn dan 25% van de totale fosfaatbindingscapaciteit van de bodem, berekend tot aan de gemiddelde hoogste grondwaterstand (referentiediepte). Hiermee wordt voorkomen dat in het bovenste grondwater op termijn verhoogde fosfaatconcentraties ontstaan die boven de natuurlijke achtergrondsconcentratie liggen.

Op basis van de hierboven beschreven procedure werd geschat dat ca. 70% van de kalkarme zandgronden in de mestoverschotgebieden als ‘fosfaat-verzadigd’ gekarakteriseerd zou kunnen worden. Later zijn ook criteria voor de overige grondsoorten afgeleid. Hiermee werd op basis van meetgegevens geschat dat in de jaren ’90 meer dan de helft van het totale landbouwareaal fosfaatverzadigd was.

De mate van fosfaatverzadiging van landbouwgronden gebaseerd op metingen in de bodem in de periode 1992-1998.

De invoering van de mestregelgeving, met centraal daarin de fosfaatgebruiksnormen, heeft ertoe geleid dat er minder mest wordt geproduceerd en, belangrijker nog, dat de mest beter over het Nederlandse landbouwareaal wordt verdeeld. Opslag en transport van mest zijn geprofessionaliseerd en een regulier onderdeel van de veehouderij. Ook zijn de boeren bewuster gaan bemesten waardoor het gebruik van fosfaatkunstmest tussen 1995 en 2005 met 40% is afgenomen zonder dat hiervoor wettelijke prikkels waren. Hierdoor neemt de fosfaatophoping in de bodem minder sterk toe dan in het verleden. Doordat nationaal bezien de fosfaatophoping in de bodem nog niet afneemt, neemt de uitspoeling naar het grondwater ook nog nauwelijks af. De rijksoverheid heeft vastgelegd dat in 2015 fosfaatevenwichtsbemesting zal worden ingevoerd. In 2008 zijn er voor het eerst beleidsvoorstellen gedaan om fosfaatgebruiksnormen in de landbouw afhankelijk te maken van naar de fosfaattoestand van de bodem.

Momenteel richt het onderzoek zich op kosteneffectieve methoden om de fosfaatbelasting vanuit landbouwgronden te verminderen. Kennis ontbreekt over hoe fosfaatuitspoeling en de gewasopbrengst op de lange termijn reageren op lagere bemestingsniveaus en daardoor afnemende bodemvoorraden van fosfaat. Ook ontbreekt informatie over de mate waarin specifieke percelen in het landschap bijdragen aan de belasting van het oppervlaktewater.