W.C.H. Staring (1808-1877)

Rubriek: Personen
Door: Rob Comans

‘Men dient niet te vergeten, dat geologische kennis de agronomische vooraf dient te gaan, dat deze een uitvloeisel is van gene en als ’t ware hare toepassing op de praktijk’. W.C.H. Staring

Winand Carel Hugo Staring kan worden beschouwd als de grondlegger van het geologisch en landbouwkundig onderzoek in Nederland. Hij werd op 5 oktober 1808 geboren op kasteel De Wildenborch bij Vorden als derde zoon van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840).

Al met zijn proefschrift Specimen academicum inaugurale de geologia patriae (Academisch proefschrift over de geologie des vaderlands), waarop hij in 1833 in Leiden promoveerde, gaf Staring richting aan het tot dan toe nog ongeordende geologisch onderzoek in Nederland. In de decennia die volgden heeft hij hieraan zelf vervolg gegeven. Zijn magnum opus vormde de realisatie, in opdracht van de regering Thorbecke, van de eerste geologische kaart van Nederland, die in 19 kaartbladen op een schaal van 1:200.000 is gepubliceerd tussen 1858 en 1867. Uniek was de onderverdeling van het Diluvium en Alluvium, waarvoor Staring’s kaart op de Wereldtentoonstelling van 1862 in London is bekroond met de gouden medaille. Ondanks aanbevelingen aan het adres van de regering voor vervolgonderzoek en verbetering van de kaart, zou het tot ver in de twintigste eeuw duren voordat er een nieuwe geologische kaart verscheen.

In deze periode schreef Staring ook zijn bekendste werk ‘De Bodem van Nederland’ dat in twee delen is gepubliceerd in 1856 en 1860. Daarnaast droeg hij de resultaten van zijn geologisch onderzoek ook in meer populaire vorm uit, ondermeer met een serie voordrachten die in 1858 zijn gepubliceerd onder de titel ‘Voormaals en Thans’.

Geologische kennis en landbouwkunde waren in de ogen van Staring nauw met elkaar verbonden. In ‘De Bodem van Nederland’ schrijft hij daarover: ‘men dient niet te vergeten, dat geologische kennis de agronomische vooraf dient te gaan, dat deze een uitvloeisel is van gene en als ’t ware hare toepassing op de praktijk’. Staring is ook op landbouwkundig gebied invloedrijk geweest en bekleedde diverse functies waaronder die van secretaris van de Geldersche Maatschappij van Landbouw, die mede door hem in 1847 was opgericht. In opdracht van de regering stelde hij tussen 1861 en 1875 jaarlijks het ‘Verslag van den Landbouw’ op en in 1863 werd hij benoemd tot inspecteur van het middelbaar en landbouwonderwijs. Hij was zijn tijd ver vooruit met zijn in 1847 opgestelde en gedetailleerde plan ‘Over de oprigting eener Nederlandsche hoogeschool voor den landbouw’. Vele jaren heeft hij gewerkt aan zijn in 1862 uitgekomen en bijna 1200 pagina’s tellende ‘Huisboek voor den Landman in Nederland’ met tal van wetenswaardigheden voor de boer, waaronder al een ‘natuurkalender’ en een overzicht van de maandelijkse arbeid in huis, op de akker en in tuin en bos. Het bevat tevens een verhandeling over het belang van de wetenschappelijke landbouw, een overzicht van de geologische geschiedenis van onze bodem en een uitvoerige beschrijving van de Nederlandse landbouw.

Bodemkaart van Staring uit 1860.

De vele honderden publicaties die van Staring’s hand zijn verschenen over een veelheid van onderwerpen vormen een blijvende getuigenis van zijn brede wetenschappelijke kennis en grote productiviteit. W.C.H. Staring overleed op 4 juni 1877 op zijn landgoed De Boekhorst bij Lochem. Zijn graf op de oude begraafplaats in Lochem wordt gesierd door een grote Scandinavische zwerfsteen met een plaquette waarop zijn geologische kaart, zijn ‘Huisboek voor den Landman’ en een arendsploeg zijn afgebeeld.

In 1878 bracht F.J. van Pesch een tweede omgewerkte druk uit van het populaire ‘Voormaals en Thans’, nog op aanwijzingen van Staring zelf in de weken voor zijn overlijden. De belangrijkste nazaat van Staring is waarschijnlijk de Wageningse hoogleraar Mineralogie en Geologie J. van Baren. Deze publiceerde een volledig herziene uitgave van ‘De Bodem van Nederland’ in 1920 (Deel I) en 1927 (Deel II), op basis van de grote hoeveelheid publicaties over de geologie van Nederland die in de tussenliggende decennia waren verschenen.

Het graf van Staring te Lochem.

In 1918 werd de Rijks Geologische Dienst ingesteld om onder leiding van P. Tesch een nieuwe geologische kaart van Nederland te maken, op een schaal van 1:50.000, waarvan de completering tot 1947 zou duren. Tien jaar daarvoor, en zeventig jaar na de publicatie van het laatste blad van Staring’s kaart, bracht W.A.J. Oosting echter ter gelegenheid van het Internationaal Landbouwcongres te ’s Gravenhage (1937) de eerstvolgende complete geologische kaart van Nederland uit, op een schaal van 1:800.000.